Hij zag kinderen met laarzen en verrekijkers. Ze keken naar een wand met gaatjes. “Dat is een oeverzwaluwwand,” zei de gids. “Daar wonen snelle vogels!”
Spot sprong op een boomstronk. “Ik heb ze zien vliegen! Sneller dan ik achter een vlinder!”
De kinderen lachten en Spot liep met hen mee. Hij wees een vleermuiskelder aan. “Daar slapen vleermuizen overdag. Ssst!”
Een jongen vroeg: “Waar kunnen we spelen?” Spot rende naar een veld met houten speeltoestellen. Hij sprong van stam naar stam. “Ik ben de koning van het Engelermeer!”
De kinderen speelden mee. Spot hielp een meisje haar laars uit de modder trekken. “Je redder in nood,” zei hij trots.
Later zag Spot een ijsvogel. “Daar!” riep hij. De kinderen keken en zagen het blauwe vogeltje. “Wauw, mooier dan een Pokémon!”
Toen de zon zakte, lag Spot op een bankje. “Vandaag was een goede dag,” zei hij.
De gids bedankte hem. Spot knikte. “Morgen ga ik weer op pad. Naar een duin, een boerderij of een geheime tuin.”
De kinderen zwaaiden. Spot miauwde en verdween tussen de bomen, op weg naar zijn volgende avontuur.