Op een mistige woensdagavond, net toen de maan achter de wolken kroop, landde Flap met een zachte plof op het dak van een oud gebouw in Elshout. Zijn cape wapperde nog na terwijl hij zijn scherpe ogen liet glijden over de omgeving. “Hmm,” mompelde hij, “dit ziet eruit als een gewone plek… maar ik ruik iets mysterieus.”
Het gebouw onder hem was Het Oude Tramstation. Vroeger stopte hier een echte tram, en mensen wachtten op hun rit terwijl ze een drankje dronken. Nu was het een restaurant met de naam SNTZL, waar mensen kwamen voor schnitzels en gezelligheid. Maar Flap was niet gekomen voor eten. Hij was gekomen voor een verhaal.
Hij gleed van het dak en landde voor de deur. Binnen zat een groep kinderen van ongeveer tien jaar oud aan een lange tafel. Ze vierden een verjaardag en lachten om een spel dat ze net hadden gespeeld. Flap grijnsde. “Perfect,” fluisterde hij. “Kinderen houden van een beetje spanning.”
Hij stapte naar binnen, onzichtbaar voor de volwassenen, maar de kinderen zagen hem meteen. “Flap!” riep een meisje met vlechten. “Vertel ons een griezelverhaal!”
Flap boog diep. “Jullie zijn dapper genoeg, zie ik. Dan zal ik jullie vertellen over het geheim van Het Oude Tramstation.”
Hij wees naar een oude foto aan de muur. “Kijk goed. Zie je die man met de lange jas en de donkere bril? Dat was conducteur Hendrik. Hij reed de tram elke dag, maar op een stormachtige avond verdween hij… samen met de tram.”
De kinderen keken elkaar aan. “Verdwenen?” vroeg een jongen met een rode pet.
“Ja,” zei Flap. “Sommigen zeggen dat hij nog steeds rondspookt in de kelder onder dit gebouw. En als je goed luistert, hoor je soms het geluid van een tram die nooit meer rijdt.”
Een meisje giechelde. “Dat is nep!”
Flap knikte. “Misschien. Maar waarom denk je dat er een deur is in de keuken die altijd op slot zit?”
De kinderen sprongen op en renden naar de keuken. De kok keek verbaasd toen ze vroegen naar de mysterieuze deur. “Ach,” zei hij, “dat is gewoon een voorraadkast.”
Maar Flap grijnsde. “Of is het de ingang naar het oude tramspoor?”
Na het eten mochten de kinderen buiten spelen. Flap leidde hen naar een plek achter het restaurant waar vroeger de rails lagen. “Hier,” fluisterde hij, “is waar de tram voor het laatst gezien werd.”
Plotseling klonk er een zacht gerinkel. De kinderen verstijfden. “Wat was dat?”
Flap lachte. “Dat was jullie fantasie. En die is sterker dan elk spook.”
Toen de avond viel en de kinderen naar huis gingen, zwaaiden ze naar Flap. “Dank je voor het verhaal!” riep iemand.
Flap boog opnieuw. “Tot de volgende keer. En vergeet niet: het Oude Tramstation is niet zomaar een restaurant. Het is een plek waar verhalen leven. En soms… komen ze tot leven.”
Hij verdween in de nacht, op zoek naar zijn volgende mysterieuze plek. Maar in Elshout, bij Het Oude Tramstation, zouden de kinderen zijn verhaal nooit vergeten.