Flap en de Verdwenen Gouverneur.

Flap, de vampier met een voorliefde voor griezelige verhalen, had weer iets bijzonders ontdekt. Terwijl hij ’s nachts over Nederland vloog op zoek naar mysterieuze plekken, viel zijn oog op een oud gebouw in het stadje Heusden. Het heette het Gouverneurshuis. Flap landde zachtjes op het dak, zijn cape wapperde in de wind. Hij keek naar beneden en grijnsde. “Dit ruikt naar geheimen,” fluisterde hij.

Het Gouverneurshuis was gebouwd in 1592. Dat is héél lang geleden, zelfs voor Flap. Binnenin waren oude kaarten, maquettes van het stadje en rare bekers die mensen vroeger gebruikten. Flap vond vooral de maquettes interessant. Kleine huisjes, straatjes en torens, allemaal netjes nagemaakt. “Perfect om een vampierverhaal in te laten afspelen,” mompelde hij terwijl hij zijn klauwen over een miniatuurpoort liet glijden.

Maar Flap was niet alleen gekomen. Hij had een groep kinderen uitgenodigd. Ze waren allemaal rond de tien jaar oud en dol op spannende verhalen. “Welkom in het Gouverneurshuis,” zei Flap met een diepe stem. “Vandaag vertel ik jullie het verhaal van de Verdwenen Gouverneur.”

De kinderen gingen zitten in de tuin, tussen de fruitbomen en kruiden. Flap begon te vertellen. “Lang geleden woonde hier een gouverneur die ’s nachts nooit sliep. Hij liep door de gangen, sprak met schilderijen en schreef brieven aan mensen die al lang dood waren. Op een stormachtige nacht verdween hij. Niemand weet waar hij heen ging. Sommigen zeggen dat hij nog steeds in de kelder woont, tussen de spinnen en oude boeken.”

Een meisje riep: “Is dat echt gebeurd?” Flap lachte. “Misschien. Misschien niet. Maar ik heb iets wat jullie kunnen helpen om het uit te zoeken.” Hij haalde een oude sleutel uit zijn cape. “Deze opent een geheime deur in het museum. Achter die deur ligt een kamer die niet op de plattegrond staat.”

Samen gingen ze naar binnen. Flap leidde hen langs schilderijen van het oude Heusden, langs een hensbeker met een enge gezicht erop, en naar een deur die normaal gesloten was. Hij stak de sleutel erin en draaide langzaam. De deur kraakte open. Binnen was het donker, maar Flap had kaarsen meegenomen. In het licht zagen ze een oude stoel, een tafel met papieren en een klok die niet meer tikte.

“Dit was zijn kamer,” fluisterde Flap. “En kijk daar, een brief.” Een jongen pakte de brief en las hardop: “Ik ben niet verdwenen. Ik ben veranderd. De tijd heeft mij meegenomen.” De kinderen keken elkaar aan. Was de gouverneur een geest geworden? Of was hij gewoon gevlucht?

Flap sloot de deur weer en zei: “Soms is het leuker als je niet alles weet. Mysterie maakt het spannend.” Daarna gingen ze naar het museumcafé, waar ze limonade kregen en Flap een bloedrode smoothie bestelde. “Geen zorgen,” zei hij, “het is gewoon aardbei.”

Na het drinken gingen ze naar de tuin. Flap had nog een verrassing. “Jullie mogen zelf een maquette maken van een spookhuis. Gebruik je fantasie. Denk aan geheime gangen, pratende muren en vampiers die alleen op dinsdag wakker worden.” De kinderen begonnen te knutselen en lachten om elkaars ideeën.

Toen de zon onderging, vloog Flap weer weg. “Tot de volgende keer,” riep hij. “En vergeet niet: het enge zit niet altijd in wat je ziet, maar in wat je denkt dat er zou kunnen zijn.” De kinderen zwaaiden hem uit, een beetje bang, maar vooral blij.

Het Gouverneurshuis was niet zomaar een museum. Met Flap erbij werd het een plek vol geheimen, avontuur en fantasie. Precies zoals kinderen het leuk vinden.

Personage: Flap