Flap en de geheime geitenbibliotheek.

Het was een mistige ochtend toen Flap, de beroemde vampier met een voorliefde voor enge verhalen, zijn zwarte cape om zijn schouders sloeg en zijn tanden poetste met tandpasta met vleermuizensmaak. Hij had gehoord van een mysterieuze plek in Nederland: De Drie Linden. Niemand wist precies wat daar gebeurde, maar kinderen die er waren geweest, kwamen terug met grote ogen en fluisterden over rare geluiden, geheime gangen en… een pratende geit.

Flap sprong op zijn fiets – ja, zelfs vampiers fietsen in Nederland – en trapte richting het dorp waar De Drie Linden lag. Toen hij aankwam, zag hij een groot terrein met een speeltuin, een sporthal, een café en een groot grasveld. Het zag er normaal uit. Te normaal. Flap kneep zijn ogen samen. “Hier zit iets achter,” mompelde hij.

Hij liep richting de speeltuin. Er waren kinderen aan het klimmen, glijden en schommelen. Maar Flap zag iets wat de anderen niet zagen: onder de klimtoren zat een luik. Het was oud, van hout, en er stond een vreemd teken op. Flap wachtte tot niemand keek en opende het luik. Een trap leidde naar beneden, de duisternis in. Natuurlijk ging Flap naar binnen. Hij was tenslotte Flap.

Beneden vond hij een lange gang met muren van steen. Het rook naar modder en… geitenkaas? Flap liep verder en hoorde ineens een stem: “Wie durft mijn gangen te betreden?” Flap grinnikte. “Ik ben Flap, en ik ben niet bang voor pratende geiten.” De stem lachte. “Dan ben je welkom.”

Aan het einde van de gang stond een geit. Maar niet zomaar een geit. Hij had een bril, een cape en een boek in zijn hoef. “Ik ben Geitenheer Gijs,” zei hij. “En jij bent de eerste die mijn geheime bibliotheek heeft gevonden.” Flap keek om zich heen. De kamer stond vol met boeken over spoken, vampiers, mummies en mysterieuze plekken in Nederland. “Dit is geweldig,” zei Flap. “Mag ik een verhaal lenen?” Gijs knikte. “Maar alleen als je belooft het door te vertellen aan kinderen die durven te griezelen.”

Flap nam een boek mee en klom weer naar boven. Buiten was het inmiddels drukker geworden. Kinderen speelden, ouders dronken koffie op het terras, en niemand had door wat Flap had ontdekt. Maar Flap wist wat hij moest doen.

Hij ging op een bankje zitten, opende het boek en begon te vertellen. Kinderen kwamen dichterbij. “Wist je dat er onder deze speeltuin een geheime gang is?” vroeg hij. “En dat daar een geit woont die boeken verzamelt over vampiers?” De kinderen gilden van plezier en riepen: “Vertel meer!”

Flap vertelde over Geitenheer Gijs, over de gangen, over de boeken die fluisterden als je ze opende. Hij maakte het spannend, maar niet te eng. De kinderen hingen aan zijn lippen. En toen hij klaar was, zei hij: “Misschien is het niet echt. Of misschien wel. Maar als je goed kijkt, zie je het luik onder de klimtoren. En wie weet… gaat het ooit weer open.”

De kinderen renden naar de speeltuin, zochten naar het luik, tikten op de grond en lachten. Flap glimlachte. Hij had weer een plek gevonden waar fantasie en spanning samenkwamen. De Drie Linden was niet zomaar een locatie. Het was een plek waar verhalen geboren werden. En Flap? Die fietste verder, op zoek naar het volgende geheim.

Maar Geitenheer Gijs? Die wachtte. Met een nieuw boek. Voor de volgende dappere bezoeker.

Personage: Flap