Flap en de fluisterende boten.

Het was een mistige ochtend toen Flap, de beroemde vampier met een neus voor spannende plekken, zijn zwarte cape rechttrok en zijn tanden poetste met tandpasta met vleermuissmaak. Hij had gehoord van een mysterieuze jachthaven in Heusden, een oud vestingstadje waar de stenen fluisteren en de boten soms lijken te verdwijnen in de mist. Flap sprong in zijn omgebouwde grafkist-op-wielen en reed richting Jachthaven De Wiel.

Toen hij aankwam, zag hij meteen dat dit geen gewone haven was. De boten lagen netjes in het water, maar er hing iets in de lucht. Iets… geheimzinnigs. Flap kneep zijn ogen samen. “Hmm,” mompelde hij, “ik ruik avontuur. En misschien een beetje vis.”

Hij liep over de steiger, zijn cape wapperend in de wind. Kinderen fietsten langs, ouders dronken koffie bij een klein café, en in de verte hoorde hij het zachte geklots van water. Maar Flap was niet gekomen voor rust. Hij was gekomen voor het verhaal.

Hij sprak met de havenmeester, een vriendelijke man met een baard zo dik dat er misschien wel een eekhoorn in woonde. “Heb je iets vreemds meegemaakt hier?” vroeg Flap.

De havenmeester knikte langzaam. “Soms, als het donker wordt, hoor je stemmen uit het water. En één keer… één keer zag ik een boot varen zonder dat er iemand op zat.”

Flap grijnsde. “Perfect.”

Die avond wachtte Flap tot de zon onderging. Hij had een groep kinderen uitgenodigd voor een griezeltocht. Ze waren allemaal rond de tien jaar oud, gewapend met zaklampen, snoep en een gezonde dosis nieuwsgierigheid. Flap begon te vertellen.

“Lang geleden,” fluisterde hij, “was hier een kapitein die zijn boot verloor in een storm. Hij zocht overal, maar kon hem niet vinden. Tot hij hoorde dat zijn boot nog steeds rondvoer… zonder hem. Sommige mensen zeggen dat hij nog steeds hier rondzwerft, op zoek naar zijn schip.”

De kinderen keken elkaar aan. Eén jongen, Daan, riep: “Dat is nep, toch?”

Flap knikte langzaam. “Misschien. Maar waarom hoor je dan stemmen als het stil is?”

Ze liepen langs de steigers, keken naar het water, en Flap liet ze een oude kaart zien van de vestingstad Heusden. “Hier,” zei hij, “ligt een geheime doorgang. Als je goed kijkt, zie je een steen met een vleermuis erop. Daar begint het.”

De kinderen renden naar de stad, op zoek naar de steen. En ja hoor, ze vonden hem. Achter de steen zat een klein gangetje dat leidde naar een oud pakhuis. Binnenin vonden ze… niets. Behalve een briefje.

“Gefeliciteerd, dappere speurders,” stond erop. “Jullie hebben het geheim van De Wiel ontdekt. Maar pas op… de kapitein kijkt mee.”

De kinderen gilden van plezier. Flap lachte. “En nu… pannenkoeken!”

Ze gingen naar een restaurant in Heusden waar ze pannenkoeken met stroop en poedersuiker aten. Flap nam er één met knoflook, wat natuurlijk een beetje vreemd was voor een vampier, maar hij zei dat hij aan het experimenteren was.

Toen de avond viel en de kinderen naar huis gingen, bleef Flap nog even zitten bij het water. Hij keek naar de boten, naar de sterren, en fluisterde: “Tot de volgende keer, kapitein.”

En zo werd Jachthaven De Wiel niet alleen een plek voor boten, maar ook een plek voor verhalen. Spannende, grappige en een beetje enge verhalen. Zoals alleen Flap ze kan vertellen.

Personage: Flap