Op een mistige ochtend, net toen de zon zich achter een dikke wolk verstopte, vloog Flap over het Brabantse land. Zijn cape wapperde in de wind en zijn scherpe ogen speurden de omgeving af. Hij was op zoek naar een nieuwe plek voor een griezelig avontuur. En toen zag hij het: een oude molen, statig en stil, midden in Nieuwkuijk. “De Emmamolen,” mompelde Flap. “Dat klinkt alsof er iets mysterieus aan de hand is.”
Flap landde zachtjes op het dak van het Bakhuys Emma, dat naast de molen lag. Hij rook versgebakken brood en koekjes. “Hmm,” zei hij, “dat ruikt verdacht lekker. Te lekker. Hier moet iets niet pluis zijn.” Hij sloop naar beneden en gluurde door het raam. Binnen zag hij kinderen lachen en smullen van warme appelflappen en knapperige broodjes. Maar Flap zag ook iets anders. Iets dat de kinderen niet zagen.
Achterin de bakkerij stond een houten deur. Een deur die niet op de plattegrond stond. Flap voelde zijn vampierneus kriebelen. “Verborgen deuren betekenen geheimen,” fluisterde hij. Hij glipte naar binnen, onzichtbaar voor de bakkers, en opende de deur. Achter de deur was een smalle trap die naar beneden leidde. Flap daalde af, zijn vleermuisvriendje Karel op zijn schouder.
Beneden was het donker. Alleen een flakkerend lichtje aan de muur gaf een beetje zicht. Flap liep verder en kwam in een ronde kamer met stenen muren. In het midden stond een oude molensteen, maar deze draaide vanzelf. “Dat is niet normaal,” zei Flap. “Molenstenen draaien niet zonder wind. Of… zonder magie.”
Plotseling hoorde hij een stem. “Wie waagt het mijn molen te betreden?” Flap draaide zich om en zag een figuur in een lange jas. Het was Meester Meel, de oude molenwachter. “Ik bewaak het geheim van de Emmamolen,” zei hij. “Alleen wie van brood én avontuur houdt, mag hier komen.”
Flap grijnsde. “Ik hou van avontuur. En ik lust best een broodje knoflook.” Meester Meel keek verbaasd. “Een vampier die van knoflook houdt?” Flap knikte. “Ik ben anders dan de rest. Ik vertel enge verhalen, maar ik ben niet gevaarlijk. Kinderen vinden me leuk.”
Meester Meel dacht even na. “Goed dan. Ik zal je het geheim vertellen. Deze molen maalt niet alleen graan. Hij maalt dromen. Elke keer dat een kind hier een broodje eet, komt er een droom tot leven. Soms een leuke droom, soms een spannende. Maar altijd een droom die ze nooit vergeten.”
Flap keek om zich heen. “Dus… als ik hier een broodje eet, krijg ik een droom?” Meester Meel knikte. Flap pakte een vers broodje van een plank en nam een hap. Plotseling begon alles te draaien. Hij zag kinderen op vliegende molenwieken, een bakkersgeest die koekjes uitdeelde, en een reusachtige meelmonster die danste op het dak.
Toen Flap zijn ogen opendeed, stond hij weer buiten. De zon scheen en de kinderen zwaaiden naar hem. “Dat was geweldig!” riep Flap. “De Emmamolen is niet alleen lekker, maar ook magisch.” Hij vloog omhoog en riep: “Kinderen van Nederland, kom naar Nieuwkuijk! Eet een broodje, beleef een droom, en wie weet… kom je mij tegen!”
En zo vloog Flap verder, op zoek naar het volgende mysterieuze plekje. Maar de Emmamolen bleef een van zijn favorieten. Want daar, tussen de geur van vers brood en het draaien van de wieken, leefden de spannendste dromen.