Op een grijze zaterdagmiddag gleed Flap, de vampier die dol is op mysterieuze verhalen, stilletjes door Nieuwkuijk. Hij had gehoord van een vreemde gebeurtenis bij De Ster, een cafetaria waar volgens een oude heks iets ongewoons was ontdekt. Flap besloot poolshoogte te nemen.
Hij wachtte tot het donker werd en sloop via een zijdeur naar binnen. Alles leek normaal: de keuken was schoon, de frietlucht hing nog in de lucht. Maar achter een stapel kratten ontdekte hij een oude houten deur, half verborgen. Flap duwde hem open.
Achter de deur lag een smalle gang die leidde naar een kelder. Daar stond een grote ketel met een bordje: “Niet aanraken.” Flap kon het niet laten. Hij roerde.
Plots begon de ketel te borrelen. Uit het schuim sprongen kleine snacks die zich vreemd gedroegen: een frikandel die zong, een bitterbal die rondtold, een frietje dat sprak in rijm. Flap keek verbaasd toe.
Een oude man verscheen uit de schaduw. “Welkom,” zei hij. “Dit is de kelder van De Ster. Hier leven snacks die nooit op het menu kwamen. Alleen ’s nachts.”
Flap knikte. “Ik zal jullie geheim bewaren. Maar ik vertel het als verhaal. Dan denkt iedereen dat het verzonnen is.” De man glimlachte. “Dat is precies de bedoeling.”
De volgende dag zat Flap op een bankje voor De Ster. Een jongen liep langs en zei: “Ik droomde vannacht van een zingende frikandel.” Flap keek hem aan en zei: “Misschien was het geen droom.”